bandoeng

Zijn onze herinneringen betrouwbaar?

herinneringen

MULO, dat was: Meer Uitgebreid Lager Onderwijs. De school op de foto stond in Bandoeng, ongeveer in 1910.

Dagboek

Dus nog voor de Eerste Wereldoorlog.
Lang geleden, maar niet onbereikbaar.
Scholieren maakten huiswerk, dat soms bewaard bleef.
Er waren er altijd, die een dagboek bijhielden.
De een of de ander vertelde het aan de kinderen, die het onthielden en weer vertelden aan de volgende generatie.
Dus ik vind 1910 helemaal niet zo lang geleden.

Kloppen ze

Maar die herinneringen, kloppen die wel? Ik vermoed: ja en nee tegelijkertijd. Een voorbeeld.

Eerste herinnering

Ik ben altijd benieuwd naar de eerste herinnering van iemand. Die is meestal ontstaan rond het derde levensjaar. Bij mij iets ervoor. Dan ben ik iets ouder dan twee jaar en mijn moeder brengt me naar de peuterschool. Op de fiets. Dit is mijn herinnering: ik zit in een stoeltje dat aan het stuur is, de zon schijnt en ik voel de warmte, we wachten tot het stoplicht op groen springt, achter mij weet ik mijn moeder en ik ben veilig, alles is goed.

Toen ik dit eens aan mijn moeder vroeg, wist ze het niet meer. Haar herinneringen aan die tijd waren anders, want ik was een driftig peutertje. Daarom moest ik dus ook zo vroeg naar school.

Betrouwbaar

Hiermee kom ik terug op de vraag, of herinneringen betrouwbaar zijn.
Ja, want ze zeggen iets over wat ik toen waarnam en die herinnering is met me meegereisd. Dat geldt voor elke herinnering:

  • het afscheid op de kade
  • de bedienden die huilden toen het gezin vertrok
  • later in Nederland: de spanningen die nooit hardop benoemd werden, maar waardoor duidelijk werd: dit niet zeggen, hier niet naar vragen, alles was erger in de oorlog dus het leed van nu dat telt niet mee.

En nee, want herinneringen kunnen veranderen van sfeer, van inhoud. Dan krijgen ze een andere betekenis, die van een spiegel van wie u nu bent. Voor mij is het een verlangen naar een tijd waarin alles goed en veilig is. Het kan best zijn dat ik die herinnering in de loop der jaren heb uitgebreid vanwege dat verlangen.

Wat kunt u ermee

Herinneringen zijn brokjes informatie. Wat kunt u ermee, als u een levensverhaal gaat schrijven?

Stap 1: noteer: wat herinner ik mij?
Stap 2: analyseer: Waarom maakte het op mij deze indruk? Welke mensen komen er voor in mijn herinnering en wat kan hun indruk zijn geweest?
Stap 3: concludeer: Hoe kijk ik er nu op terug?

Wat de MULO in Bandoeng betreft, zijn de leerlingen vermoedelijk rond 1900 geboren. Met deze aanwijzing weet u meteen hoe ver u terug moet in de familie of bevriende families. Inderdaad, helemaal niet zo lang geleden. Daar zijn vast nog herinneringen aan, doorgegeven of opgeschreven. Misschien is het tijd om die te gaan ordenen en bewaren.

Dit is het mysterie: het krontjong-boek van Bintang Soerabaja

krontjong

Kent u het krontjonglied: “Ja hoera”? Ik niet. En in het krontjong-boek van Bintang Soerabaja zag ik niets dat ik kon meezingen, omdat ik geen notenschrift ken.

Nina Bobo

Dus zelfs Nina Bobo lukte niet, want ik heb tekst voor mijn ogen nodig, dan snap ik wat ik moet zingen. Ik ben een beperkt mens en toch kocht ik dit boek. Het rook ook zo heerlijk muf, de geur van iets ouds dat lang ergens op een zolder heeft gelegen. Voor mij is dat een aanbeveling.

Van binnen

Het onbekende van dit boek bleef aan me knagen. Helemaal toen de Tong Tong Fair een datum aankondigde voor september. Want daar luister ik altijd naar live krontjong, stil zittend in een zaal, en voelend hoe deze muziek me diep, diep van binnen raakt.
Het is misschien een beetje gek om te zeggen, maar ik geloof dat ik daardoor een beter mens wordt. Wat zachter en me bewust van het belang daarvan. Dat ik voel dat er meer bestaat dan ik met mijn verstand kan begrijpen. En soms denk ik, hoe zou het zijn om naar krontjong te luisteren op een late avond in Indonesië, wat doet dat met iemand van binnen?

Maar ja. U en ik zijn hier en het krontjongboek ligt op mijn werktafel. Ik kocht het op een koempoelan in Vlaardingen, voor slechts twee euro.
Toen ik het notenschrift zag, besefte ik wat het betekende. Dat vertel ik in de video.

(tekst loopt door onder de video)

Meetellen

Er zijn ook mensen die uit eigen ervaring kunnen vertellen over:

  • dansen in hotel Homann, Bandoeng
  • zwemmen in bad Tjikini, Batavia

Ja, nee, dat was de koloniale tijd, maar die telt toch ook mee in de nationale geschiedenis? Los van wat we nu vinden van het koloniale systeem, was het een tijd waarin mensen leefden, waarin cultuur ontstond en bloeide. Dat mag niet weggevaagd worden als “fout”.
Dus ik hoop dat u en ik vastberaden verder gaan op de ingeslagen weg: het besef dat kennis van vroeger een vergankelijk iets is, en het enige dat helpt is, inderdaad, opschrijven.

Wat de Preanger-bode wist over het nieuwe jaar 1922

nieuw jaar
Op het sportterrein in Bandoeng, circa 1922

Eerlijk is eerlijk, ik had opeens genoeg van al het Nieuwsjaarsgedoe, tot ik las wat de Preanger-Bode schreef. Dat was op 1 januari 1922, inderdaad, honderd jaar geleden, maar nog steeds geldig.
In de krant publiceerde de columnist Kijker een mooi stuk over het komende jaar 1922. Kijker snapt dat mensen de nieuwjaarswensen een gedoe vinden, maar hij wist op het belang ervan. Dit zegt hij:

Zoo 1921 is voorbij, en we beginnen een nieuw jaar. We wenschen elkander: het beste. We drukken bandjes, sturen kaartjes, bevoordeelen de advertentie-exploitatie der bladen: p.f. En vinden die felicitatie-beslommering: een karwei! Maar vergeten dat we voor ons evenwicht, voor de stimuleering van onze levensblijheid, de traditioneele dagen van verteedering en de traditioneele wenschen voor den individueelen voorspoed van „vrienden en bekenden”, noodig hebben.
Een wereld waarin koude logica en onverbiddelijk cynisme den toon aangeven, zou een harde, een wreede wereld zijn, waaruit de mensch niet beter kan doen dan zoo haastig mogelijk te verdwijnen.
En daarom: een welgemeend voorspoedig Nieuwjaar aan allen die ons lezen, die onze tekortkomingen vergoelijken, en niet minder aan allen die ons niet lezen en ons misprijzen. Want ’t nieuwe jaar is aangebroken, en wij reiken de hand aan ieder die vertrouwen durft hebben in zijn medemenschen, in de toekomst, en in zichzelf.

Pranger-Bode, 1 januari 1922

Vannacht

Inderdaad: nog steeds actueel. Want durven we dat, vertrouwen te hebben in dit nieuwe jaar en in elkaar?
Vannacht lag ik wakker van het vuurwerk. Veel knallen, zware ontploffingen, geschreeuw. Mijn kater Bert kwam dicht bij me voor de steun. We waren alletwee bang.
Toen vond ik vertrouwen moeilijk.
In zijn column somt Kijker op wat er allemaal is om negatief over te zijn. Véél. Dan komt de oplossing en ik zeg het even in moderne woorden: een mens moet een eigen routekaart volgen. Kijker schrijft het zo op:

Maar we moeten, ieder voor zich, den moed erin houden en bovenal, weten wat we willen. De groote kwaal van dezen tijd is gebrek aan standvastigheid, aan doorzettingsvermogen; aan vasten wil: we wankelen en weifelen teveel, en staan te gauw klaar met groote woorden als malaise, ontwrichting, voorbestemd-tot-mislukken, enz, enz. We twijfelen aan onszelf, aan onze kansen en aan den tijd. Wij twijfelen aan alles, en dat is het domste wat we doen kunnen.

Ik heb eens een jong schilder gekend, die talent had, veel talent. Hij had een mooi meisje met mooie schouders, tot model, en haar gezicht was wonderschoon. Bovendien had hij de handigheid een geschikt atelier in huur te krijgen zonder drie maanden vooruit te betalen, — en dat is voor een pasbeginnend schilder een heel ding. Maar hij had één gebrek: hij kon zijn ideeën niet vasthouden, hij had geen wil. Hij besloot met den gruwelijken kant van zijn métier een poging te wagen, en schilderde het meisje als „Salome”, wat het lieve kind erg tegenstond. Maar toen kwam er een vriend op zijn atelier, en vertelde hem dat het publiek moe was van gruwelijkheid, en liever iets opbeurends wou. Hij drapeerde Salome met een japonnetje, veranderde het hoofd van Johannes de Dooper met veel vaardigheid in een bloemenmand en noemde het schilderij: „Venetiaansch bloemenmeisje”. Toen kwam er een andere vriend, en die veroordeelde het schilderij als „te zoet”, waarop de schilder het pardoes veranderde in: „Vrouw, haar dood kind liefkoozend”. En er kwam een kubist, die vond het schilderij „beestachtig theatraal”, waarop de schilder het hoekig maakte en „De zonde in zevenmijls-laarzen” doopte. Het schilderij is nooit verkocht, en de schilder is nu bediende in een toko.

Ja, als we nooit weten wat we willen, iedere impulsie gehoorzamen, en geen vast doel in ’t oog houden dan gaat ’t ons als de schilder, dan hebben we géén kans in 1922.

Eigen doel

Ik ben het helemaal eens met Kijker. Een eigen doel. Voor mij is dat de verschijning van het KNIL-boek, werken aan het levensverhaal van Van Daalen en zoveel mogelijk mensen helpen hun verhaal op papier te zetten.
En in de lijn van Kijker wens ik u een goed nieuw jaar, met een eigen vast doel om in het oog te houden.

Attentie: wegens avondklok geen eendaagsche verbinding met Bandoeng

avondklok

Degenen met levenservaring weten: deze avondklok is voor de meeste mensen te doen. Het kan veel erger en in 1942 was het ook veel erger. Dat staat te lezen in het Soerabaijasch Handelsblad van 31 maart 1942.

Die krant ademt oorlog. En ook de hoop, dat het gewone leven kan doorgaan. Maar wij, die kunnen terugkijken, weten hoe het verder ging. Als ik het woord Nippon zie, krimpt er iets in mij ineen. En dan kan ik helemaal niet meer tegen het gemiezemuis van vandaag de dag over feestjes en willen uitgaan en “je moet toch leven.”

Staatsspoorwegen

In het Soerabaijasch Handelsblad las ik het bericht van de Staatsspoorwegen over de nieuwe dienstregeling. ‘Nog geen Eendaagsche of Nachtexpres’, schrijft de krant en ook:

  • Morgen, 1 April, wordt een belangrijk verbeterde en uitgebreide dienstregeling op de Oosterlijnen ingevoerd, waarbij verschillende snelverbindingen worden hersteld. Voor aankomst- en vertrektijden van sneltreinen wordt verwezen naar de advertentie in ons blad van heden.
  • De eerste dienstregeling dateerde van 14 Maart, dus slechts enkele dagen na de bezetting, en bestond uit slechts enkele treinen. De tweede ging reeds op 20 Maart in, en gaf eenige uitbreiding aan het aantal treinen.
  • Thans, nog geen maand na de bezetting, komt de S.S. met haar derde dienstregeling, in hoofdzaak gebaseerd op het oude spoorboekje, den reisgids van 6 November 1941. Een dienstregeling die er wezen mag, als men rekening houdt met de moeilijkheden waarmede men te kampen heeft, zooals de vernielde bruggen bij Wonokromo, Porrong en ten zuiden van Malang over de Kali Metro. Door de vernieling bij Wonokromo werd een groot aantal van de moderne sneltreinrijtuigen opgesloten op de Soerabaiastations, zoodat het publiek genoegen moest nemen met zeer oud materieel en in hoofdzaak van de vierde klasse. Thans is men erin geslaagd een gedeelte van de opgesloten rijtuigen over het stremmingspunt te brengen via een noodbrug, die echter nog niet geschikt is voor treinverkeer. Naar wij vernemen zullen de treinen over twee tot drie weken kunnen passeeren; de herstelling der brug bij Porrong zal echter langeren tijd vorderen. De reis naar Malang wordt nu reeds verkort tot ± uur.
  • Zoolang de avondklok gehandhaafd blijft kan voorts nog geen eendaagsche verbinding met Bandoeng tot stand worden gebracht. Men kan echter, reizende met comfortabele sneltreinen met restauratie-rijtuig. Bandoeng in twee dagen bereiken, waarbij te Djogja moet worden overnacht. Voor Batavia – te bereiken via Soekaboemi – komt er nog één dag bij.
  • Er komen per 1 April 4 sneltreinen van Soerabaia naar Malang in elke richting; van Soerabaia naar Madioen eveneens 4 treinen op en neer, waarvan één sneltrein; van Soerabaia naar Blitar drie verbindingen per dag, waarvan één sneltrein; van en naar Djember twee treinen per dag, waarvan één een snelverbinding, terwijl Banjoewangi vanuit Soerabaia in één dag te bereiken zal zijn (ook omgekeerd).

Het bericht zegt: avondklok of niet, kan het niet zus dan doen we het zo.
De bureacratie van de hoop.
Het willen regelen, opdat het leven in orde is.

Trein ontspoord

Dat was dus eind maart. Begin februari 1942 ontspoorde een trein door een Japanse luchtaanval. Ik vond er een foto van.

acondklok

Soerabaja, 3 februari 1942 (KITLV 179146/ Creative Commons)

 

Historisch besef

Deze foto en deze krant alleen al maken dat ik het leven van vandaag meer waarder. De supermarkt heeft 17 soorten hagelslag, de overheid probeert te helpen met steunpakketten, we kunnen de hele dag naar buiten, we hebben internet, uitzicht op vaccins en er is geen Nippon of andere vijand in het land.
Ik tel mijn zegeningen.

Heeft u de destijds de avondklok meegemaakt in Soerabaja of een andere stad? Misschien is het nu het goede moment om daar iets over te schrijven. Voor uzelf, voor anderen die het herkennen en vooral voor degenen met nul historisch besef.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het onderstaande plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

levensverhaal

Wies van Groningen over haar moeder Clara Hukom (video)

HukomClara Hukom leerde ik kennen door haar dochter Wies. Zij schreef over haar moeder. Mooie verhalen en boeken zijn het, waardoor ik langzaam vertrouwd werd met haar familie. Wies heb ik een paar keer ontmoet.

“Ik ben geboren in Blangkedjerèn, op Sumatra. Mijn Molukse moeder en mijn vader, een totok, hebben daar vijf jaren gewoond met hun kinderen. We hebben overal gewoond, in Batavia, Tjimahi, later ook in Bandoeng. Tussendoor gingen we naar Holland met een half jaar verlof. Zo ook in 1939, althans dat was de bedoeling. Maar in verband met de oorlogsdreiging besloot mijn moeder dat zij met haar kinderen in Holland zou blijven.”

Daar en hier

In 1929 werd Wies geboren als Louise Metaal, een meisje in een KNIL-kampement in het binnenland van Atjeh. Tien jaar was ze, toen zij in Delft moest gaan wonen. Dat beviel niet zo, vertelt ze: “Ik was op m’n hoede. Ik dacht dat de mensen boos op me waren, ze keken altijd zo streng. Het was natuurlijk ook oorlog. Mijn gevoel voor de schoonheid van Delft, haar grachten…. dat heeft me in Nederland gered van verdriet, van eenzaamheid.”
Het “daar en hier” waren twee gescheiden werelden. In Nederland leefde het gezin geïsoleerd: “Ik wist helemaal niet dat we Indisch waren. Daar werd bij ons niet over gepraat. Ik was zeventien toen ik mijn moeder voor het eerst Maleis hoorde spreken. Er kwamen twee Malino-studenten [plaats waar de conferentie voorafgaand aan de onafhankelijkheid van Indonesië werd gehouden; Molukse studenten in Nederland] op bezoek en als geschenk hadden ze een trommeltje tjengkeh, kruidnagel, meegenomen. Wat een schok, ik kon mijn eigen moeder niet verstaan.”
Later, veel later, ging Wies op zoek naar wat Indisch zijn betekende. Ze las Maria Dermoût, ontdekte dat haar grootmoeder Louisa de naaister was van het gezin Dermoût, ging Indonesisch leren en verzamelde alles wat zij kon over Indie en dat koloniale verleden. “Als je aan mij vraagt, ben je Indisch, dan zeg ik: ja, ik heb een Hollandse vader en een Molukse moeder. Maar ik ben niet in een Indische gemeenschap opgegroeid, ik ben niet in een Molukse traditie opgevoed. In je belangrijkste jaren, van je 10e tot je 17e, leefde ik vrij geïsoleerd in Nederland, in een westerse wereld.”

Over haar moeder

Wies van Groningen-Metaal volgde op latere leeftijd in Nederland een opleiding Beeldende Vorming, was werkzaam in de Utrechtse Vrouwenbibliotheek en -documentatiecentrum, en volgde een schrijfcursus bij Astrid Roemer. In 1973 reisde ze met haar moeder door Indonesië en dacht: “dit ken ik, ik ben thuis”. Daarna werkte ze in de bibliotheek van het Moluks Historisch Museum. Sinds haar 60ste jaar schrijft ze, vooral over haar moeder Clara Hukom en daardoor indirect over de dochter van Clara die zij zelf is:

“Over het KNIL is genoeg geschreven, maar weinig over al die vrouwen met hun kinderen. Ze waren afhankelijk van het dienstbevel van hun man. Ook zij moesten de dagmarsen van Kotadjané naar Blangkedjerèn maken. Wat heeft dat voor mijn moeder betekend dat ze daar terechtkwam, in zo’n kleine militaire gemeenschap?”
“De titel van mijn laatste boek is: Is militair. Is militair. De invloed van mannen, mensen die macht naar zich toetrekken. Wat voor effect heeft een koloniaal systeem wel niet op een samenleving? De geschiedenis van Nederlands-Indië is er een van geweld. Ga maar na: Banda-kruidnagelmonopolie, Atjeh, Tweede Wereldoorlog, bersiap, KNIL, het geweld van Molukkers hier in de jaren zeventig. Op somige vragen die ik stelde, antwoorde mijn moeder met een zucht: ‘Is militair kind. Is militair.'”

Mijn voormoeders van de Molukken is het laatste boek van Wies van Groningen. Ze is 80plus en het lijkt of ze steeds dieper bij de essentie komt, naarmate ze ouder wordt. Daaruit kwam dit boek voort. En ze heeft een plan, dat even groots als kwetsbaar is. “Er zal wel veel kritiek komen,” vermoedt ze. Die zou weleens mee kunnen vallen. Eerst is er dit nieuwe boek.

“Nieuw,” aarzelt de schrijfster. “Nieuw is misschien een groot woord. Want er staan stukken in die de mensen al kennen uit mijn vorige boeken. Maar niet alles verscheen eerder en de lijn die ik erin heb aangebracht is zeker nieuw. De magische lijn van mijn voormoeders wilde ik zichtbaar maken, en ik wilde laten zien wat die lijn betekent, met een link naar adat.”

(tekst gaat verder onder de video)

Voormoeders

Wies trouwde met een Indische man en kreeg kinderen. Het leven was vol en druk, en dat had zo kunnen blijven als ze niet tot drie keer toe wakker was geschud.
De eerste keer: ze hoorde haar moeder Maleis spreken met Malino-studenten. “Die taal verstond ik niet. En hoe ze lachte, dat ze zo kon klinken, was ik vergeten.”
De tweede keer: op haar bruiloftfeest kreeg ze een grote taart van tante An Nikyuluw, die zei dat ik haar pela was. “Ik wist niet wat dat was, pela. Maar ik begreep dat het met bescherming te maken had.”
De derde keer was het haar voormoder Johanna zelf, die plaatsnam op een trapje in Wies’ tuin. “Door te verschijnen liet ze zien, dat voor haar de banden niet waren doorgesneden, dat ze me zou beschermen.” De lijn met voormoeders was getrokken en Wies had er een plaats in gekregen.

Familiegeschiedenis

Het klinkt zo mooi: een plaats innemen in je eigen familiegeschiedenis, verhalen verzamelen en vragen stellen. De werkelijkheid is weerbarstig. Niet iedereen van de ouderen vertelt even gemakkelijk over wat in het verleden ligt. Feiten als namen en jaartallen kunnen onvindbaar zijn.
Dat ondervond Wies, toen ze in 1992 naar het familiehuis in Oma reisde. “De familie heeft me vlak voordat ik wegging in het oude huis van de Hukoms gebracht. Er werd gebeden en ik kreeg de stamboom te zien, een grote rol papier waar wel namen maar weinig jaartallen op stonden. Omdat ik de taal niet sprak, is mij veel ontgaan. Het is toch iets traumatisch geweest, dat ik als kind mijn moeder hoorde praten zonder haar te verstaan. Of er een andere wereld zichtbaar werd, waarin ik misschien geen plaats zou hebben.”

KNIL-vrouwen

Dan is er nog dat ene grote plan: “In een flits dacht ik: er moet een monument komen voor de vergeten KNIL-vrouwen, dat kan haast niet anders. Honderden jaren lang zijn er vrouwen met hun man meegegaan, en waar zijn ze begraven? Niet alleen in de koloniale periode, maar ook tijdens de Bersiap zijn er veel vrouwen die geen graf hebben. Waar moet je dan een bloem leggen, als je niet weet waar je voormoeder is begraven? Dat monument moet voor de onbekende KNIL-vrouw zijn. Een plaats, om haar te kunnen ontmoeten en te eren.” Ze kijkt naar de kleine prauw in haar vensterbank en zegt zachtjes: “Er zijn zo veel voormoeders geweest die ergens, geen mens weet waar, begraven liggen.”

(Delen van dit artikel verschenen eerder in Marinjo en op de website Damescompartiment.nl. Foto en filmopname door Vilan van de Loo)


Wilt u ook over uw moeder schrijven? Dat kan. Op 2 oktober begint de korte cursus Schrijf het levensverhaal van uw moeder. U kunt meedoen als u al tien keer bent begonnen of als u  nog nul schrijfervaring heeft. Er is een aparte pagina over de cursus, ook met ervaringen van andere cursisten. Klik en lees hier  meer.  U kunt het ook, en ik help u graag.

Over de Roemer Visscher Vereeniging in Indië

Afdeling Batavia in Des Indes, 1937

Afdeling Batavia in Des Indes, 1937

Hoe zat het eigenlijk met de vrouwenbeweging in Indië? Vrij goed. Na 1900 kwamen er steeds meer vrouwen die hun eigen geld verdienden. Een nieuwe, zelfstandige generatie, die steun kreeg.

Charlotte

Na 1900 komt de vrouwenbeweging in Nederland op. Die krijgt veel aandacht, terwijl er in Indië net zo goed veel gebeurde. Voorbeeld. We horen altijd over Aletta Jacobs als eerste vrouwelijke arts van Nederland. Maar waarom horen we minder over haar jongere zuster Charlotte Jacobs, de eerste apothecaresse van Indië?

Steun

In Indië bestond sinds 1905 de Roemer Visscher Vereeniging, opgericht in Soerabaja, met als doel het ondersteunen van vrouwen en meisjes die financieel zelfstandig wilden zijn. In de praktijk zou de Vereeniging veel Indische vrouwen ondersteunen.
Er was veel behoefte aan de steun die de Vereeniging bood, zoals:

  • praktische en financiële hulp bij het vinden van een opleiding of cursus
  • stimuleren van vakopleidingen voor vrouwen: vakvrouwen waren een nieuw verschijnsel
  • tehuizen waar alleenstaande vrouwen goedkoop konden wonen of logeren
  • verkoop van handenarbeid en handwerken, alleen door vrouwen gemaakt

Een dergelijke vereniging bestond niet: voor en door vrouwen. Gericht op de financiële zelfstandigheid van vrouwen. Ze hoefden dan niet meer te trouwen met een kostwinner, maar konden zelfstandig zijn en blijven. Dat was een revolutie. Want destijd werd huwelijk en moederschap gezien als de enige echt vrouwelijke bestemming. (Al kon je ook in het klooster gaan)

Uitbreiden

Binnen de korste keren moest de Vereeniging uitbreiden. Er kwamen afdelingen in Batavia, Bandoeng, Medan, Semarang, Palembang, Soerabaja, Madioen, Makassar, Malang, Solo en Buitenzorg. Wanneer er lokaal te weinig bestuursleden werden gevonden, dan kwam er een afdeling.

De afdeling Soerabaja begon een Voorlichting- en Bemiddeling Bureau, een soort arbeidsburo. Andere afdelingen zetten dit ook op. Soerabaja had ook tehuis Plampitan, voor schoolgaande en werkende meisjes en vrouwen.

Ouderwets

Je zou zeggen: dat is een revolutie. Die Roemer Visscher Vereeniging kreeg vast veel weerstand. Dat is het mooie. Juist niet. De bestuursters waren vooral afkomstig uit de zogeheten betere kringen. Beschaafde vrouwen, heette dat toen. En wat je zag in de publiciteit was handwerkverkoop en zorgzaamheid. Dus die beeldvorming was geruststellend ouderwets.

Bataviaasch Nieuwsblad, december 1912

Nieuwe beroepen

Dat vrouwen nieuwe of veelgevraagde beroepen leerden, stond wel in de notulen te lezen. Typelessen en steno bijvoorbeeld waren extreem nuttig gezien de opkomst van de grote kantoren in de steden. Handwerken werd op een hoog niveau gedaan, een mengvorm van ambacht en kunst. Dat handwerk werd goed verkocht, en daarvan hadden vrouwen ook inkomen. In Medan was er een vakschool waar vrouwen onder meer costuumnaaien leerden.

De oorlog maakte ook de werkzaamheden van de Vereeniging moeilijk. Maar niet altijd onmogelijk: de afdeling Batavia lukte het om de hele bezettingstijd door te werken en zo vrouwen blijvend te helpen, vooral met handwerkverkoop. Maar moeilijk was het wel.

Eind jaren 1950 werd besloten tot opheffing van de Roemer Visscher Vereeniging.

Groot netwerk

Het stemt toch tot nadenken. Zo’n vrouwenvereniging die in de loop van ongeveer een halve eeuw honderden, misschien wel duizenden vrouwen heeft geholpen met zelf geld verdienen. En hoe gaat het: als je zelf geholpen bent, ben je sneller geneigd om anderen ook te helpen, omdat je weet hoe welkom het is.

Dus al met al: wat een formidabel groot netwerk moet dat zijn geweest in Indië. Fascinerend, die vrouwenbeweging daar.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje hieronder te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

Ga naar de bovenkant